Een leerling uit groep 7 kijkt wat ongelovig naar de twee kaartjes die ze heeft getrokken: pizza en kalender. “Nou… je kunt op de kalender zetten wanneer je pizza gaat eten,” zegt ze schouderophalend.
“Ja, dat kan. Wat nog meer?” vraag ik.
Ze denkt even. “Uhm… misschien de verjaardagskalender van een pizzeria? Of een pizzadag op school?” Na een korte stilte: “Je kunt uitrekenen hoeveel pizza’s je nodig hebt voor een klas en dat plannen.”
We praten over hoeveel pizza’s er op een plaat passen, hoeveel kinderen er in een klas zitten, hoe lang het duurt om ze allemaal te bakken. En hoe je dat handig kunt plannen. Van pizza en kalender naar rekenen, organiseren en vooruitdenken.
Ik leg uit hoe mooi dit is. Als je iets geleerd hebt — bijvoorbeeld plannen, rekenen of verbanden leggen — kun je dat niet alleen in de rekenles gebruiken, maar ook hier, bij zo’n vraag. Of bij het lezen van een tekst, of bij het voorbereiden van een spreekbeurt.
Dat heet transfer: iets wat je in de ene situatie leert, kunnen toepassen in een andere. Niet omdat iemand je vertelt dat het moet, maar omdat je zelf ziet dat het handig is.
“Dus leren lezen helpt ook bij pizza?” vraagt ze grijnzend.
Ik lach terug. “Zeker weten.”