Ik zit met een brugklasser aan tafel die zucht bij zijn boek biologie. Hij heeft de tekst over koudbloedige en warmbloedige dieren al drie keer gelezen, maar de informatie glipt steeds weer weg. Om zijn denken aan te zetten en hem uit de stand van ‘reproduceren’ te halen, leg ik zijn boek even weg. Ik vraag hem: “Wat is het verband tussen een trein en een ijsbeer?”
Hij kijkt me eerst verbaasd aan, maar na een paar seconden zie ik zijn blik veranderen. Ik zeg even niets en geef hem de tijd om na te denken. “Uhm,” begint hij aarzelend, “ze zijn allebei heel sterk en ze maken allebei een spoor in de sneeuw.” Even later voegt hij eraan toe dat ze ook allebei een soort witte buitenkant kunnen hebben. Het gaat mij er niet om dat zijn antwoord helemaal kloppend is, maar om wat er in zijn hoofd gebeurt: hij stopt met consumeren en begint met het leggen van verbanden.
Van trein naar biologie
Ik leg hem uit dat dit precies is wat hij ook moet doen bij zijn tekst over biologie. In zijn boek staan cellen, organen en ecosystemen vaak als losse onderdelen beschreven, maar in de werkelijkheid hangt alles met elkaar samen. Wanneer hij alleen maar begrippen uit zijn hoofd stampt, bouwt hij geen kennis op; hij verzamelt alleen losse fragmenten die na de toets weer verdwijnen.
Om biologie echt te leren, moet hij dezelfde denkkracht gebruiken als bij de ijsbeer en de trein. Hij moet de tekst ontrafelen door zichzelf af te vragen hoe de verschillende stukjes informatie bij elkaar horen. Hoe hangt de bouw van een cel samen met de functie van een orgaan? Door zelf die lijnen te trekken, bouwt hij een situatiemodel op: een compleet beeld in zijn hoofd dat veel langer beklijft dan losse feiten en begrippen.
Regisseur van het eigen denkproces
Door deze oefening ziet de leerling in dat hij zelf de controle heeft: dat hij de regisseur is van zijn begrip. Hij ervaart dat verbanden leggen iets is wat hij al kan, maar dat hij deze vaardigheid ook moet inzetten tijdens het lezen. Wanneer een leerling zich hiervan bewust wordt, verandert de manier waarop hij naar zijn schoolboek kijkt. De tekst is dan niet meer iets wat alleen ‘geleerd’ moet worden voor een cijfer, maar een bron waaruit hij zelf een logisch verhaal opbouwt om de wereld te begrijpen.
