Het was stil in huis. De ouders van Daan en Mick waren in de voortuin druk met het uitzoeken van verflatten en lijmklemmen. Ze hadden helemaal niet in de gaten dat Daan en Mick met Gwen door de achterdeur het huis binnenkwamen.
Ze liepen zachtjes de trap op, eerst naar boven, dan naar de vlizotrap. Het zolderluik kraakte nog steeds.
Boven was het warm en de lucht rook naar oud hout en papier. De koffer stond onder het kleine dakraam, precies zoals ze hem hadden achtergelaten.
Gwen hurkte ervoor en gleed met haar vingers over de gesp. “Prachtig, zo’n leren riem om een koffer.”
“Ik denk dat die vroeger op slot kon, om te voorkomen dat anderen hem openmaakten,” zei Daan.
Gwen klikte de gesp los. Bovenin lagen oude notitieboekjes, sommige met een naam op de kaft: S. Verschoor. De inkt was wat verbleekt, maar goed leesbaar.
“En werkstukken,” zei Gwen. “Kijk, over de maanlanding. En hier eentje over hoe spiegels werken. En eentje over Scandinavië.”
“Allemaal handgeschreven,” zei Mick.
Daan haalde iets opgevouwen uit een envelop. Het was een getekende kaart. Geen plattegrond, eerder een soort tekening van een wereld. Linksboven een berg met een vlag, rechtsonder een doolhof. In het midden een soort grote hersenen met trapjes erin.
“Dit is geen gewone kaart,” zei hij zacht. “Kijk, het zijn allemaal dingen waar je… over moet nadenken of zo. Een brug van gedachten. Een tunnel van twijfel. Wie tekent zoiets?”
Voorzichtig haalden ze alles uit de koffer: tekeningen, schetsen van machines, uitgeknipte plaatjes uit tijdschriften en oude foto’s.
“Hé, kijk eens wat hierin zit!” zei Gwen, die een houten doosje omhooghield. Er zaten drie houten, uitgesneden tandwieltjes in, die precies leken op die op het briefje. En een tekening van een groepje kinderen rond een tafel, zonder gezicht, maar met pijltjes naar de handen waarop stond: zien, denken, tekenen, vragen, maken. Erboven stond in dikke letters “de Orde” geschreven.
Gwen pakte de tekening op en zag dat er onderaan iets stond geschreven. “Luister dit: “Soms moet je eerst verdwalen voordat je begrijpt waar je bent.”
Mick keek naar de kaart met het brein, die Daan nog steeds in zijn handen had. “Denk je dat deze koffer echt van kinderen was?” vroeg hij.
“Of van iemand die wilde dat kinderen dit zouden vinden,” zei Gwen.
Daan vouwde de kaart open op de grond. “Wat als dit een soort… handleiding is? Niet letterlijk, maar voor je brein?”
“Voor je bovenkamer,” zei Gwen zacht.
Het was even stil.
Mick schoof het briefje met de tandwielen weer naar voren. “Misschien moeten we het stap voor stap doen. Eerst uitvinden wat deze drie betekenen. V, V en C.”
“En intussen kijken we wat we nog meer kunnen vinden,” zei Gwen. Ze trok een ander boekje open. Op de eerste pagina stond in krullerige letters:
Je brein is groter dan je denkt.
– OVB
“O.V.B.?” zei Daan. Hij liet zijn vinger over de drie letters gaan.
En weer was het stil. Alleen het kraken van de zoldervloer was te horen.
“De Orde van de Bovenkamer,” fluisterde Mick. Alsof het geen naam was die zij vanmiddag hadden verzonnen, maar eentje die al bestond.
En opeens voelde het alsof ze niet de eersten waren.