In mijn vorige artikel vertelde ik je over Noud, een jongen die ontzettend goed kan associëren. Zijn hoofd zit vol kennis over de natuur en hij maakt razendsnel koppelingen. Maar er zijn ook veel kinderen bij wie dit juist nauwelijks vanzelf gebeurt.
“Letterlijk iets terugvinden in de tekst, ja, dat lukt ze nog wel,” zucht de leerkracht, “maar als er maar íets aan eigen denkwerk bij komt kijken, dan lukt het ze gewoon niet. Ze hebben gewoon niet zoveel inzicht.” Je hebt dit vast al vaak gehoord over leerlingen. In de klas doet deze leerkracht het echt niet zo verkeerd: ze haalt voorkennis op, doet aan modelling en laat kinderen over teksten praten. Maar in het instructiegroepje oefent ze allerlei leestechnieken in en traint ze de kinderen in het maken van vragen bij teksten. En daar krijgen kinderen nou eenmaal niet meer inzicht van.
Als een goede lezer leest, doe hij dat – min of meer gelijktijdig – op drie niveaus: hij leest de letters en de woorden die er staan (decoderen), hij kijkt naar de oppervlakkige betekenis van woorden en zinnen en we maken een samenhangend geheel van de tekst om het totaal te kunnen begrijpen en onthouden. Een minder goede lezer blijft “steken” op het niveau van het decoderen en het oppervlakte-begrip. En – uiteraard – zit het “inzicht” juist op het derde niveau. Maar hoe krijg je een kind daar? Is dat niet gewoon een kwestie van aanleg en intelligentie?
Natuurlijk speelt dat een rol, maar het is echt te simpel om te stellen dat je er dan “dus” niets aan zou kunnen doen. Inzicht is wel degelijk te verbeteren. Om te begrijpen hoe je dat kunt doen, moet je eerst weten wat inzicht eigenlijk is.
Inzicht zou je kunnen omschrijven als het vermogen de oplossing van een probleem te vinden door kennis te combineren, of zoals de Oosthoek Encyclopedie het noemt: “de intellectuele beheersing van een samenhang”. En als je je dan realiseert dat Leesbegrip het maken van een samenhangende mentale weergave is, dan begrijp je dat Leesbegrip en inzicht dan ook hand in hand gaan: je moet weten wat het een met het ander te maken heeft om te kunnen begrijpen. het te kunnen onthouden en om er weer nieuwe verbindingen mee te maken. Om dit te kunnen is in de eerste plaats kennis nodig over het onderwerp waarover we lezen. En anderzijds dat we goed gebruik kunnen maken van het systeem dat ons in staat stelt om die kennis te combineren.
Bijvoorbeeld: twee van mijn leerlingen lazen een tekst over gemzen in de bergen. Beiden wisten niet wat een gems is. Een van hen was al wel vaker in de bergen geweest en de ander nog nooit. Dat laatste kind vond de tekst lastig te lezen, moeilijk te begrijpen en kon ook niet uit de tekst afleiden wat een gems zou kunnen zijn.
Maar het kind dat vaker in de bergen was geweest liep in zijn hoofd de dieren bij langs die hij in de bergen had gezien: koeien, een marmot, een geit… en kon daardoor met de informatie uit de tekst tot de conclusie komen dat een gems een soort geit kon zijn. De week erna kon hij nog veel vertellen over het verhaal. De ander wist alleen nog dat het over bergen ging en het woord gems.
Het relationele netwerk
Voorkennis speelt dus – zoals je vast al weet – een grote rol bij begrip: ieder mens heeft een uniek netwerk aan kennis en ervaringen en dat maakt het lezen van een tekst daarom al dan niet gemakkelijker. Voorkennis ophalen helpt uiteraard, maar helaas blijft het vaak bij het opnoemen van zo veel mogelijk losse woorden over een onderwerp. Terwijl het juist de verbanden zijn die ervoor zorgen dat je iets kunt (gaan) begrijpen.
Om het kennisnetwerk heen zit namelijk een groter systeem: het relationele netwerk. Dit netwerk zit veel verfijnder in elkaar dan het kennisnetwerk, en dit is wat we gebruiken om enorme hoeveelheden aan verbanden te kunnen leggen tussen allerlei informatie. Die verbanden worden gelegd op basis van eerder opgedane kennis en – emotionele en zintuiglijke – ervaringen van geboorte tot op de dag van vandaag.
Zelfs als iedereen dezelfde feitenkennis zou hebben, is ieders relationele netwerk uniek, omdat iedereen andere ervaringen heeft opgedaan en een eigen “gerichtheid” op de wereld om hem heen. Gerichtheid is dat waar je je op richt, dus de dingen in de wereld om je heen die belangrijk voor je zijn. Je brein is niet in staat om alles wat er in de wereld te zien, horen, proeven, ruiken en te voelen is op te nemen en te verwerken. Er zijn simpelweg teveel prikkels: je zou knettergek worden als alles binnen zou komen. Daarom moet het brein een keuze maken en filtert de prikkels, afhankelijk van wat voor jou belangrijk is, op korte termijn (bijvoorbeeld het ontwijken van gevaar, of het vinden van de mayonaise in de winkel.
Wil je bijvoorbeeld een nieuwe fiets kopen? Dan zie je “ineens” allemaal mooie, nieuwe fietsen: je brein laat die nu door omdat het belangrijk voor je is.
Maar ook op de lange termijn kan iets belangrijk zijn. De ene leerling wil bijvoorbeeld loonwerker worden en de andere boswachter. Zij zijn gericht op heel andere dingen om hen heen: de een ziet elke tractor rijden en merkt op dat de maïs hoog staat. De ander merkt elk insectje op en is gericht op de paddenstoelen onderweg.
Uiteraard verschilt het relationele netwerk van elk van je leerlingen op veel punten van elkaar. Dat is bij elk individu zo. Het maakt ons uniek.
The Connection
Er is een quiz op televisie waarin alle antwoorden op de vragen die in de aflevering worden gesteld met elkaar te verbinden zijn tot een enkel woord. “The Connection” heet het. In een hilarische finale met Francis van Broekhuizen leidden onder andere de woorden tussen André van Duin, corona, koorts, elf en Venetië tot de connectie “carnaval”. Als je het weet denk je “ja natúúrlijk”, maar kom er zonder hints maar eens op! Om zulke verbanden te kunnen zien, is een flink netwerk aan kennis en relaties nodig en zo is dat ook in een tekst: hoe groter, beter en geordender het relationele netwerk van een kind in elkaar zit, des te makkelijker hij verbanden kan zien. In het algemeen, maar ook zeker binnen een tekst, buiten de tekst en tussen verschillende bronnen.

Kinderen helpen
Natuurlijk kun je dat netwerk met bijvoorbeeld begeleiding van een half uur per week maar voor een klein deel vergroten. Maar je kunt kinderen wél leren om veel meer gericht te zijn op de samenhang. De samenhang van alles wat rechtstreeks te maken heeft met de tekst, zoals de titel, de plaatjes en alle tekstdelen, maar ook zéker de samenhang van de tekst met het eigen relationele netwerk.
Als je brein meer gericht is op het zoeken naar verbanden, verbetert het inzicht. Die gerichtheid verbeter je door kinderen te leren dit bewust en vanuit metacognitie te doen. Met allerlei kleine en grotere opdrachten kun je kinderen er bewust van maken hoe het er in hun hoofd aan toegaat. Bijvoorbeeld zo:
“Alles wat we in ons hoofd bewaren is op de een of andere manier met elkaar te verbinden. Soms ligt het voor de hand: een olifant en een koe zijn allebei dieren. Soms al iets minder: een olifant en een regenwolk zijn allebei grijs. En soms is het wat vergezocht: wat heeft een olifant bijvoorbeeld gemeen met een dakpan?”
Het vergroten van dergelijke metacognitieve kennis (hoe werkt het leggen van verbanden, hoe kan ik dat handig gebruiken) en het versterken van het relationele en kennisnetwerk zorgt er daarom voor dat kinderen teksten inhoudelijk en met inzicht gaan lezen. Kortom: je verbetert het “leesinzicht” 🙂
Een voorbeeld-oefening: neuzen in de tekst
Wanneer ik met een leerling start met begrijpend lezen, en ik leg een tekst voor zijn neus, dan zijn er eigenlijk maar twee reacties: óf de leerling wacht af tot ik vertel wat hij moet doen, óf hij begint direct met lezen en leest door – of hij het nou snapt of niet.
De volgende oefening laat zien dat lezen niet alleen om de woorden in de tekst gaat, maar om wat het met jou doet. “Lezen gaat om jou.”
Neuzen zorgt dat kinderen meteen actief met een tekst bezig gaan. Het “neuzen” is een opdracht die je heel goed in tweetallen kunt doen. Heb je een enkele leerling, ga dan samen neuzen.
Concreet is de opdracht: kijk eens naar de titel. de plaatjes en naar de woorden in de tekst zonder die al “echt” te gaan lezen. Wat valt je op? Welke woorden zie je en waarom vallen die op? Waar valt je oog op, waarbij denk je “HUH?”
Je kunt met die woorden van alles doen: er “gewoon” over praten, laten tekenen, of er bijvoorbeeld een woordweb of mindmap mee laten maken. En natuurlijk leg je altijd uit waar deze oefening voor bedoeld is.
En een andere oefening: de woordenpot
Ik heb in mijn praktijk een pot met woordkaartjes. Na mijn uitleg over het brein en hoe alles op de een of andere manier aan elkaar te verbinden is, pak het kind twee kaartjes uit de pot. Samen gaan we bedenken wat die twee dingen met elkaar te maken hebben. Soms is het écht even zoeken…. maar er is áltijd wel een verband te bedenken.
Verbetert dit het leesbegrip? Niet direct. Maar het zorgt wel dat je leerling begrijpt dat het zoeken naar verbanden niet altijd vanzelf gaat, maar dat je er actief naar kunt zoeken door na te denken.
En het is natuurlijk ook gewoon leuk 🙂 Probeer het zelf maar eens:

Benieuwd hoe je het inzicht en het leggen van verbanden kunt gaan verbeteren bij je leerlingen of cliënten? In het LeesInzicht Inspiratieboek Verbinden staat vol praktische oefeningen. En weet je dat er ook LeesInzicht cursussen zijn? Kijk maar eens hier: leesinzicht.nu/cursussen