Een Havo-2 leerling worstelt met een hoofdstuk met formules. “Ik snap er gewoon niks van, geen idéé wat ik moet doen!” zegt ze, enigszins in paniek.
In tegenstelling tot wat veel mensen denken, speelt leesbegrip niet alleen een rol bij het lezen van de contextopgaven. Ook bij het lezen van de theorie, de opdracht zelf en bij toetsopgaven gaat het vaak mis doordat leerlingen niet echt weten hoe ze dit goed en actief moeten lezen.
De eerste neiging is misschien om haar uit te leggen wat de stappen zijn waarin ze de formule moet uitrekenen. Maar ik ken deze leerling. Ik weet dat het probleem zit in hoe zij naar de formule kijkt, namelijk als een of andere vreemde toverspreuk. Ze leest hem eigenlijk niet, ze pluist het niet uit, maar wil meteen de opdracht gaan maken, om er snel af te zijn. En als ik haar vraag even naar de theorie te kijken, leest ze alles achter elkaar door, met als resultaat dat ze nog steeds niet weet hoe het zit.
Ik geef haar de opdracht om de theorie nog een keer, maar nu stapje voor stapje te lezen. Bij elke zin vraag ik haar of ze zich kan voorstellen wat ze moet doen. En bij elke volgende zin laat ik haar die verbinden aan de vorige, zodat het geen losse zinnetjes blijven.
Zin voor zin begint het haar – zelf! – te dagen hoe de formule in elkaar zit en wat ze moet doen.
Leesbegrip speelt een rol in elke situatie waarin een leerling iets moet lezen om verder te komen. Overal waar tekst staat, wil je eigenlijk dat de leerling actief en nauwkeurig leest, ook buiten de Nederlandse les of het vak “Begrijpend Lezen”.
Bij rekenen en wiskunde betekent dat: laat de leerling even stoppen voordat hij begint met rekenen. Vraag hem wat hij voor zich ziet als hij de opgave of theorie stap voor stap leest, en vraag dáárnaar, niet naar de tekst zelf. Het maken van een dergelijk beeld in het hoofd zorgt ervoor dat er actiever gelezen wordt. De opgave wordt minder abstract, denkstappen worden duidelijker en de leerling kan de informatie beter onthouden.
Ook het leggen van verbanden is belangrijk: hoe lijkt dit op iets wat hij al eerder heeft geleerd, of wat is nou nét even anders dan die andere soort som of formule. Maar ook: wat voor soort opgaven horen bij deze les? Wat kun je straks op de toets verwachten?
Dit hoeft niet veel tijd te kosten, want het zijn kleine tussenstappen die je inbouwt, zeker als een leerling vastloopt. Bij de leerling die bij elke opgave eerst vraagt wat hij moet doen, helpt het om hem te leren altijd stap voor stap een mentaal beeld te maken voor je begint. Je laat zien wat er in zijn hoofd zou moeten gebeuren bij het lezen en hoe hij zelf grip kan krijgen op het vak.
En die wiskundeleerling? Die zei dit: “Cool! Dat kan ik met de volgende paragraaf zelf!”
