Cognitief ordenen kun je uiteraard niet rechtstreeks zien, maar je kunt wel zien wat er gebeurt met de informatie die een leerling krijgt. Je ziet bijvoorbeeld dat een leerling losse details goed kan onthouden, maar dat hij geen (goed) idee heeft van de samenhang van het verhaal. Hij weet nog dat er in een tekst een hond, een bos en een regenbui voorkwamen, maar kan niet goed vertellen hoe die informatie met elkaar te maken heeft. Ook het onderscheiden van hoofd- en bijzaken kan lastig zijn: alles lijkt even belangrijk. Bij oorzaak-gevolgrelaties zie je iets vergelijkbaars. De leerling kent de gebeurtenissen afzonderlijk, maar heeft moeite om uit te leggen wat waardoor komt.
Een ander signaal is dat een leerling moeite heeft met langere of complexere teksten. Bij een korte tekst lukt het nog om de informatie vast te houden, maar naarmate er meer informatie bij komt, raakt hij de structuur kwijt. De leerling kan dan gaan raden, informatie door elkaar halen of afhaken.
Je kunt ook buiten het lezen naar ordening kijken. Een leerling kan bijvoorbeeld lang bezig zijn met een redeneerstap waarvan de volgorde niet goed blijft hangen, blijven hangen in details bij een opdracht of dagelijkse routines steeds in een andere volgorde uitvoeren. Ook het vertellen van een verhaal kan iets laten zien: gebeurtenissen worden dan bijvoorbeeld chaotisch terug verteld zonder duidelijke volgorde of samenhang. Of de leerling kan je van álles vertellen over een onderwerp, maar als hij er een werkstuk of mindmap van moet maken, staat er niet veel. En soms is het zelfs zo dat het laatje of de schooltas al een weergave is van hoe het brein informatie ordent…
Dit soort signalen zijn mogelijke aanwijzingen voor problemen met cognitief ordenen.
Een belangrijk onderscheid is daarbij dat je niet alleen kijkt naar of een leerling informatie kent, maar vooral naar hoe hij die informatie verwerkt. Kan hij verschillende stukjes informatie bij elkaar brengen? Kan hij aangeven wat belangrijk is en wat minder belangrijk? Kan hij uitleggen wat de relatie is tussen twee gebeurtenissen? En lukt het hem om nieuwe informatie te verbinden aan iets wat eerder is genoemd of geleerd?
Als je wilt weten of een leerling informatie werkelijk ordent, moet je dus vooral onderzoeken welke structuur hij zelf (wel en niet) in de informatie aanbrengt en hoe hij dat doet.
Dat maakt observatie zo belangrijk. Luister vooral naar de redenering van de leerling en let op wat er gebeurt wanneer de hoeveelheid, de complexiteit of de samenhang van de informatie toeneemt.
Daarmee krijg je een veel beter beeld van wat er in het hoofd van de leerling gebeurt.
