Speciaal voor jou als lezer van het LeesInzichtbericht licht ik een oefening uit een van de LeesInzicht Inspiratieboeken uit.
Dit keer “vergelijkoefening 2”, blz. 79 in het Inspiratieboek Verbinden, omdat die goed past bij het thema “Slimme lezers”.
Open oefening als pdf
Een slimme lezer die een tekst onder zijn niveau krijgt, leest hem moeiteloos en onthoudt wat er staat. Er gebeurt alleen weinig in zijn hoofd, want de tekst vraagt niets wat hij nog niet kan. Het denkproces dat leesbegrip is, komt pas op gang bij een tekst die net wat verder gaat, waar hij iets tegenkomt wat hij moet uitzoeken. Voor sterke lezers betekent dat vaak dat de tekst zelf niet genoeg uitdaging biedt, en dat je die uitdaging er als leerkracht of begeleider bij moet organiseren.
Deze vergelijkoefening doet dat door twee bronnen naast elkaar te leggen. De aandacht verschuift van wat staat hier naar wat staat hier niet, wat spreekt elkaar tegen, en heb ik dit eigenlijk allebei nodig. Die vragen in deze vergelijkoefening op pagina 79 – of je beide bronnen nodig hebt of dat er een al volledig genoeg is – vragen van de leerling dat hij de informatie weegt in plaats van verzamelt. Dat is controleren in de vorm waarin het er voor sterke lezers toe doet: niet nagaan of je een tekst kunt navertellen, maar nagaan of de informatie houdbaar is.
Cain en Oakhill lieten zien dat het maken van inferenties, het verbinden van informatie die niet letterlijk naast elkaar staat, samenhangt met begripsvaardigheid, en dat zwakkere begrijpers daar moeite mee houden, ook als ze technisch goed lezen (Cain & Oakhill, 1999). In hun vervolgonderzoek bleek dat inferentievaardigheid niet enkel een kwestie van meer kennis is: ook met dezelfde achtergrondkennis verschillen leerlingen in hoe goed ze verbanden leggen tussen tekstdelen (Cain, Oakhill, Barnes & Bryant, 2001). Twee bronnen vergelijken is inferentiewerk in het kwadraat, omdat de leerling niet alleen binnen één tekst verbanden legt, maar ook tussen twee teksten die elkaar aanvullen, tegenspreken of overlappen.
Praktisch betekent dit dat je bij een slimme lezer bronnen kiest die elkaar net niet helemaal overlappen qua inhoud, want een lichte tegenspraak tussen twee teksten levert uiteraard meer denkwerk op dan twee bronnen die hetzelfde zeggen. Houd de stelling die je de leerling geeft beperkt genoeg om echt iets te kunnen onderzoeken, omdat het gesprek anders verzandt in opsommen. En als de leerling ontdekt dat de ene bron iets beweert wat de andere niet bevestigt, geef hem dan de tijd om te bepalen wat hij daarmee doet, in plaats van het hûh-moment voor hem op te lossen.
Vaak zijn beweringen uit reclames geweldige stellingen om te gebruiken. Bijvoorbeeld (….) geeft je vleugels, waarmee ze energie en focus bedoelen. Is dat echt zo? Of … pindakaas, wie is er niet groot mee geworden (en vooral gezond en succesvol: ze kiezen succesvolle sporters uit). Is het zo gezond en hoezo word je er succesvol door?
Maar ook stellingen als “olifanten hebben grote oren” of “papegaaien praten echt” zijn prima.
Je kunt in plaats van een stelling ook een vraag gebruiken, zoals die van de Orde van de Bovenkamer*. Bijvoorbeeld met de kaartjes die voelen alsof de Orde ze zelf heeft achtergelaten: raadsels, vreemde observaties en onverwachte opdrachten. Geen schoolse vragen, maar geheimzinnige briefjes die kinderen laten kijken, luisteren en verbanden leggen op manieren die ze niet gewend zijn.
Bij oudere leerlingen kun je er daarnaast de bronkritiek bij nemen die op pagina 79 staat: wie schreef dit, wanneer, en met welk doel? Een slimme lezer die gewend is teksten te vertrouwen omdat ze nu eenmaal in een boek staan, ontdekt dan dat een bron iets wil, en dat hij daar zelf iets van mag vinden.
*Ken je de “Orde” al? Dat is een groepje van vijf kinderen die de hoofdpersoon zijn in de LeesInzicht leerlingmaterialen. Lees het verhaal en bekijk de materialen HIER
Bronnen: Cain, K., & Oakhill, J. V. (1999). Inference making and its relation to comprehension failure. Reading and Writing, 11(5-6), 489-503. Cain, K., Oakhill, J. V., Barnes, M. A., & Bryant, P. E. (2001). Comprehension skill, inference-making ability, and their relation to knowledge. Memory & Cognition, 29(6), 850-859.
