Buiten voor de bibliotheek was de lucht warm en op het plein was het stil. Het was rustig in het dorp, waarschijnlijk waren de meeste mensen nu op vakantie.
Ook de kinderen waren stil, diep in gedachten. Ze liepen naar hun fietsen, maar eigenlijk wilde niemand al naar huis en daarom gingen ze op het muurtje bij de bieb zitten.
Ze hadden op de heenweg allerlei vragen bedacht die ze aan mevrouw R. wilden stellen, maar die waren helemaal niet meer nodig geweest. Wat een enorm toeval dat Sandra van de bibliotheek ‘hun’ S. Verschoor bleek te zijn!
Daan liet zich op het lage muurtje rond de bieb zakken. Mick haalde de spullen uit de tas om ze nog eens te bekijken. Toen hij het werkstuk pakte, dwarrelde er een los kaartje uit.
“Wacht, wat is dit?” zei Gwen. Ze hield het kaartje omhoog zodat iedereen het kon zien.
Op het kaartje stond een foto van een grijze steen met een rond gat erin. De steen lag in licht zand. Bovenaan stond: wat is dit?
Daaronder: Is het natuurlijk of gemaakt door een mens? Waar kun je dit vinden?
Daan tikte met zijn schoen tegen de rand van het muurtje. “Het lijkt net alsof iemand er doorheen geboord heeft.”
“Of juist niet,” zei Rafi rustig. Hij hield zijn hoofd een beetje schuin, alsof hij het gat beter probeerde te begrijpen. “Misschien gaat zoiets vanzelf. Door water of zo.”
Gwen kneep haar ogen iets samen. “Maar zo rond? Nee, dat was vast een mens.” Ze haalde haar schouders op.
Zoë had haar telefoon al in haar hand. “Even zoeken,” zei ze. Ze typte een paar woorden in. “Steen met gat erin… nou, dit lijkt er niet op.” Ze bladerde langs foto’s van sieraden, tuindecoratie en gepolijste stenen. “Nee, teveel verschillende dingen.”
Het was even stil. Je hoorde alleen het zachte geknisper van een papiertje dat over de stoep waaide. Gwen keek nog eens goed naar het kaartje.
“Er staat weer een stempel op, van de OVB” zei ze, zonder op te kijken.
“Misschien hoort het bij de opdrachten die Léon maakte,” zei Mick. “Net als wat ze zei over vroeger.”
Daan grijnsde. “Dan hebben wij er nu ook eentje.”
Zoë stopte het kaartje weer in haar tas, heel zorgvuldig dit keer. “Morgen weten we misschien meer,” zei ze. “Sandra klonk alsof ze nog wel wat achterhield.”
Ze stonden op en pakten hun fietsen. Rafi keek nog één keer achterom, naar de bibliotheek met de hoge ramen en zag dat Sandra hen glimlachend nakeek.

