“Kat en ruimte,” leest de twaalfjarige voor, een beetje sceptisch. Ze kijkt me aan en vraagt: “Die horen toch helemaal niet bij elkaar?”
Ik zeg niets en wacht.
Ze fronst, en dan: “Nou ja, een kat die omhoog springt. Die schat in hoeveel ruimte hij nodig heeft om te komen waar hij wil zijn.” Ze trekt een schouder op, alsof het een beetje gek vindt. Maar ze heeft wel een verbond gelegd.
“Oh wacht, katten komen altijd op hun poten terecht. Maar in de ruimte kun je niet op de grond terechtkomen.”
Vaak hoor ik over mijn leerlingen dat ze tegen een grens aanlopen. Dat het een inzichtprobleem is. Dat er niet meer in zit.
Oei! Denk ik dan. Ik ga er altijd van uit dat een leerling kan groeien, ook in leesbegrip, ook in inzicht. Je moet leerlingen alleen wel een beetje helpen door ze te leren nadenken. Door ze te leren dat het niet stopt bij de eerste “ik weet het niet”. Gewoon even de tijd nemen om dóór te denken. De ruimte om verbanden te zoeken. En ontwikkelen ze zich het heus wel. Ook bij leesbegrip.
