Ik zit met een meisje van tien aan tafel dat een verhaal leest over een meisje dat een nieuwe jurk krijgt. Ze stopt even en zegt: “Ik zie hem al helemaal voor me, hij is roze.” In de tekst staat geen kleur. Die heeft ze er zelf bij verzonnen, zonder dat ze het doorhad. Want een jurk moet wel een kleur hebben natuurlijk.
Ik vraag haar: “Wat is het verband tussen die jurk en een graafmachine?”
Ze fronst. “Die hebben toch niks met elkaar te maken?”
Ik geef haar even de tijd, waarna ze toch begint te graven in haar brein. “Ze zijn allebei van iets anders gemaakt,” zegt ze. “En je ziet er maar een stukje van als je ernaar kijkt. Van een graafmachine zie je de buitenkant, maar niet hoe hij van binnen werkt. En een jurk kun je niet aan de binnenkant zien als iemand hem aanheeft.”
We praten nog even door over de kleur van de jurk, die niet in de tekst stond en dat het helemaal prima is om dat er dan bij te bedenken.
Daar gaat het om. Wat er in haar hoofd gebeurt als ze verbindingen legt is dit: ze ontdekt dat haar beeld van de tekst niet hetzelfde is als wat er staat. Haar brein had een invulling gemaakt, net zoals het altijd doet.
“Dus ik lees altijd een beetje mijn eigen verhaal?” vraagt ze.
