Een brugklasser kijkt me aan alsof ik hem een wiskundevraag stel in het Swahili. “Wat is het verband tussen een handtas en een aardappel?”
Hij grinnikt eerst en schudt dan zijn hoofd. “Die hebben niks met elkaar te maken. Ik kan in elk geval niks verzinnen.”
“Weet je het zeker?”
Een paar seconden later begint hij toch te redeneren. “Ze zijn allebei bruin? En je kunt dingen in een handtas stoppen, en in een aardappel zitten ook van die… lagen?” Hij kijkt me onzeker aan, en nee, een aardappel heeft geen lagen. Maar hij is wel bezig met iets wat hij zelden doet tijdens het lezen: hij ordent.
Want dat is wat er gebeurt als je twee ogenschijnlijk losse begrippen met elkaar verbindt. Je kunt niet zomaar wat roepen en je brein dwingt je daarom om te groeperen: wat hoort bij wat, wat is hetzelfde, wat is anders, wat is het meest van toepassing? Dat is cognitief ordenen en het is een van de processen die bij leesbegrip een grote rol spelen.
Leerlingen die moeite hebben met leesbegrip of die niet actief en diep lezen, doen dit ordenen tijdens het lezen vaak niet of nauwelijks. Ze maken geen structuur van de informatie in de tekst, waardoor de informatie langs ze heen gaat: ze lezen zonder dat ze er veel van snappen.
Die vaardigheid moet echt worden geoefend. Eerst expliciet met oefeningen, waarna de transfer gemaakt wordt (met jouw hulp) om dit ook bij een rijke tekst te doen. Het gaat om het leren denken over dat wat je leest.
In de nieuwe map Werken aan LeesInzicht, die ik aan het opbouwen ben, komt dan ook een hele reeks oefeningen die hier specifiek op ingaan, dus waarmee je je leerling leert om cognitief beter en actief te ordenen.
De brugklasser trouwens? Hij bedacht na een tijdje nog een verband: “Je kunt een handtas ook in de grond stoppen, net als een aardappel, als je hem wilt verstoppen.”
Haha.
