Ik zit met een meisje van twaalf aan tafel. Ze trekt een papiertje uit de pot, dan nog een. Ze leest ze voor: buizerd en cowboyhoed. Ze kijkt me aan en zegt: “Dat kan helemaal niet.”
Ik zeg niets en laat haar even broeden.
Na een paar tellen begint ze toch te praten. “Een cowboyhoed is wel groot genoeg voor een buizerd om op te landen.” Ze stopt. “Of een buizerd kan een cowboyhoed gebruiken als nest?” We schieten beiden in de lach, omdat we dat even helemaal voor ons zien. “Ik denk niet dat een buizerd dat gaat doen!” Maar ze gaat verder: “De hoed en de vleugels van een buizerd zijn allebei breed. Een buizerd is bruin en een cowboyhoed ook vaak.”
Wat er nu gebeurt, is precies wat er ook in een tekst moet gebeuren. Ze pakt iets wat ze al weet, over vogels, hoeden, kleuren, vormen, en verbindt dat met iets wat ze niet direct bij elkaar had verwacht. Haar brein zoekt actief naar een verband. En dat zoeken zelf is al winst.
Veel leerlingen lezen een tekst zoals ze de eerste twee papiertjes lazen: ze zien de woorden wel, maar ze denken nog niet verder. Het hûh-moment, het punt waarop iets niet klopt of nog niet past, wordt dan genegeerd: ik lees gewoon door. Terwijl het dan juist leuk wordt: als je jezelf dingen afvraagt, verbanden legt en nadenkt over de tekst.
Als je die nieuwsgierigheid aanspreekt, als je het onverwachte erin gooit, zie je iets veranderen. Ze beginnen te verbinden. Buizerd met cowboyhoed, vogel met hoed, vorm met vorm, kleur met kleur en voor je het weet ook: tekst met eigen wereld.
Voor de zomervakantie geef ik haar een klein huiswerkopdracht: twee willekeurige dingen uit haar vakantie met elkaar verbinden en me na de vakantie vertellen wat ze heeft gevonden.
“Maar wat als ik niks bedenk?” Ik glimlach.
“Ach ja ik verzin er vast wel tien!”
En ik glimlach nog harder.
